Kenmerken

Conditie
Zo goed als nieuw
Onderwerp
Jaar (oorspr.)
1967
Auteur
zie beschrijving

Beschrijving

||boek: Geschiedenis der muziek|vertaling: Otto Hamburg|AULA [22]

||door: Aula, Curt Sachs

||taal: nl
||jaar: 1967
||druk: ?
||pag.: 342p
||opm.: pocket|zo goed als nieuw

||isbn: N/A
||code: 1:001139

--- Over het boek (foto 1): Geschiedenis der muziek ---

In deze geschiedenis van de muziek ligt de nadruk op een heldere geleding van de historische perioden en de gelijkwaardige behandeling daarvan. Het gaat de auteur er daarnaast vooral om de ontwikkeling van muzikale vorm en stijl te laten zien. Ook al wordt de muziek uit oudere perioden minder uitgevoerd, toch is ze uit historisch oogpunt van even groot belang als de veelvuldig gehoorde muziek uit de klassieke tijd. Een groot deel van het boek is daarom aan die oudere perioden gewijd, terwijl de laatste eeuwen in een beknopt overzicht worden samengevat.

[bron: https--www.bol.com]

Harmonie in context: Inleiding tot de conventionele en insulaire harmonie

1. Inleiding tot de conventionele en insulaire harmonie

1.1 De context

Het ontstaan en ontwikkeling van de harmonie is door diverse muziekhistorici uitgebreid beschreven, echter met betrekking tot de harmonie op de Britse Eilanden, is men erg summier. De onderwerpen die men in dit verband in het algemeen behandeld beperkt zich tot de gymel, faux-bourdon en de Engelse discant. Met name de Keltisch sprekende gebieden komen er bekaaid vanaf, desondanks dat men er diverse interessante harmonische vormen aantreft, met name de deviaties ten opzichte van de continentale stijlen.
Binnen de context van deze website is het in ieder geval nodig om, naast de belangrijke en bruikbare elementen uit de continentale benadering, aandacht te schenken aan diverse aspecten van de oude insulaire harmonische vormen en technieken, met name die van Ierland, Schotland en Wales.

Dit artikel valt op te delen in enkele hoofdzaken:

  • In eerste instantie bespreek ik enkele termen en definities, gevolgd door een beknopte omschrijving met betrekking tot de ontwikkeling van de harmonie volgens de gangbare conventionele Westerse muziekgeschiedenis.
  • Binnen de context is het de moeite waard om van de conventionele muziekhistorie af te stappen en aandacht te schenken aan een etnomusicologische benadering.
  • Tot slot komen een aantal muziekhistorisch onderwerpen ter sprake die met name zijn betrokken op de harmonie van de Keltisch sprekende regio's vanaf de middeleeuwen tot ca. 1600. Na deze periode begon men, voor wat betreft de harmonie, naast bestaande traditionele technieken zoals de zogenaamde double-tonic-techniek, eveneens gebruik te maken van de steeds meer gangbare continentale harmonie, gebaseerd op het zogenaamde tonica-dominant-principe.

1.2 Terminologie en definities

Met harmonie wordt een opeenvolging van samenklanken van meerdere tonen bedoeld, waarbij gedurende het verloop van een muziekstuk, een duidelijke onderlinge samenhang bestaat. Harmonie werkt in twee richtingen:

  • Verticale harmonie, waarbij het verloop van het muziekstuk is geënt op de samenklank van intervallen en akkoorden.
  • Horizontale harmonie, de samenklank is geënt op basis van een meerstemmig melodisch verloop.
  • Gemengde harmonie, waarin aspecten van zowel de verticale en horizontale harmonie zijn aangewend.

Monofonie

Dat is de 'eenstemmige stijl' (uit het Grieks: alleen, enkel en klank, geluid). Als één stem een melodie vertolkt of dat meerdere zangstemmen of instrumenten tegelijkertijd exact (unisono) dezelfde melodie ten gehore brengen. Een belangrijk voorbeeld is de kerkzang, b.v. het gregoriaans. De uitvoering hiervan was oorspronkelijk monofoon, hoewel de onderlinge stemmen een octaaf mochten verschillen. (Zie ook het hoofdstuk Toonsystematiek: Inzake liturgische muziek en de ecclesiastische modaliteit.)

Heterofonie

(Grieks: de ander, de tweede). De 'andersklinkende stijl'. Dit wordt weleens beschouwd als een 'primitieve vorm' van meerstemmigheid, vanwege de toepassing van deze techniek bij (natuur)volkeren. Het gaat hier om een samenklank van zangers en/of instrumentalisten, ieder met hun eigen individuele interpretatie en variatie. In feite gaat het dan om een spontane, ongeschreven wijze van musiceren. Het is interessant om te weten dat we voor deze techniek niet ver hoeven te zoeken en gemakkelijk ingepast kan worden binnen de context van deze website.

Een voorbeeld is de gezamelijke uitvoering van Ierse dansmuziek bij het samenspel van meerdere instrumenten, zonder dat er enige begeleidingsvorm aanwezig is. Denk aan het samenspel van de traditionele Ierse instrumenten: fiddle, uilleann pipes en flute. Voor iedere instrumentalist staat het vrij om zijn eigen interpretatie en variatie van dynamiek, ritmiek en ornamentiek te volgen.

De Gaelische psalmodie van de Schotse eilanden heeft een unieke traditionele wijze van uitvoeren. De zang is zuiver a capella (zonder instrumentale begeleiding) en is een samenspel van voorzanger en congregatie. De voorzanger zingt een regel van de psalm, waarna het volk de regel herhaalt. Hoewel men, zowel in het begin als op het einde van de regel dezelfde noot zingt, wordt daar tussenin de melodie door een groot aantal verschillende stemmen vertolkt tot een gemêleerde samenklank. Iedere individuele bijdrage aan de melodie in tempo en ornamentiek, zorgt voor het esulterende effect. [Zie: Vormen, technieken en idioom: Vocale vormen, genres, stijlen en technieken: Deel 1: Ierland en Schotland: 1.9 Gaelische psalmodie in Schotland]

Polyfonie

(Grieks: veel, talrijk). De 'meerklinkende stijl'. Dit is een meerstemmige techniek, waarbij tijdens het verloop van het muziekstuk, minimaal twee min-of-meer onafhankelijke, en toch gelijkwaardige melodieën gelijktijdig klinken. Het is een vorm van 'horizontale' harmonie. De stemmen vertonen, mét deze gelijkwaardigheid een harmonische samenhang. Polyfonie is toepasbaar ten behoeve van (koor)zang en als instrumentale compositie techniek. Een andere naam voor polyfonie is contrapunt (afgeleid van het latijn: 'Punctus contra punctum', dat 'noot tegen noot' betekent).

Een drie-stemmige vocale passage in polyfonische stijl. De kenmerkende zelfstandigheid van de stemmen is hierin goed te herkennen.

Homofonie

(Grieks: gelijk). De 'gelijkklinkende stijl'. Homofonie treedt op, als de samenhang tussen de stemmen ook kan worden beschouwd als gelijktijdig klinkende reeksen in de vorm van tweeklanken (harmonische intervallen) en akkoorden. Homofonie is een 'verticale' vorm van meerstemmigheid. Dat wil zeggen, dat de stapeling van de verschillende stemmen (akkoorden) min of meer dezelfde ritmische structuur doorlopen. Homofonie is een belangrijke meerstemmige techniek, met name voor koorzang geschikt.

Men onderscheidt:

  • Harmonische homofonie, waarbij er een uitgesproken hoofdmelodie bestaat, meestal in de bovenstem. De overige stemmen zijn, de ondersteunende bas-stem en zogenaamde vulstemmen.
  • Polyfonische homofonie, waarbij geen sprake hoeft te zijn van één hoofdmelodie. Elke stem heeft min of meer dezelfde ritmische structuur, maar zijn op zich zelfstandige melodieëen. Deze techniek is met name voor het toontreffen van koorstemmen, dus de zingbaarheid van belang.
  • Tussenvormen ontstaan wanneer er zowel harmonische al polyfonische elementen worden aangewend.

Een vier-stemmige vocale passage (sopraan-alt-tenor-bes) in homofonische stijl. De kenmerkende gelijke ritmiek van de stemmen is hierin goed te herkennen.

Monodie

(Grieks: enkel, alleen en gezang, lied). Deze term wordt, verwarrend genoeg, in twee betekenissen aangewend.

  • Als synoniem voor monofonie. Deze definitie wordt hier niet gevolgd.
  • Als de harmonische stijl, waarbij een hoofdmelodie wordt ondersteund door een instrumentale begeleiding, zodanig dat de hoofdmelodie duidelijk wordt weergegevem. De begeleidingsakkoorden kunnen diverse gedaanten bezitten: harmonisch (gelijkklinkend) of gebroken (de tonen van de akkoorden worden volgens een bepaald ritmische structuur, na elkaar gespeeld).

Monodie is tegenwoordig de belangrijkste harmonische compositietechniek die sinds ca. 1600 niet alleen in de kunstmuziek wordt aangewend, maar ook in de hedendaagse populaire moderne muziekstijlen, jazz, pop, folk, etc. De populaire begeleidingsinstrumenten zijn hier de (bas)gitaar, piano en keyboard. Een contrabas of basgitaaar kan voor extra ondersteuning zorgen, waardoor de akkoordbassen extra worden benadrukt.

Binnen de context van deze website is het vermeldenswaard, dat binnen bijvoorbeeld de hedendaagse folk diverse begeleidingsinstrumenten in gebruik zijn: chromatische en diatonische trekzak, accordeon, Irish bouzouki, mandoline en gitaar. [Zie in dit verband bijvoorbeeld ook: Cultuur- en muziekhistorische onderwerpen: Muziekinstrumenten en ensemblespel in de traditionele Ierse muziek].

Een moderne uitvoering van de 16e eeuwse melodie van 'Greensleeves', genoteerd op een moderne populaire wijze. De notenbalk toont de vocale partij, de lettersymbolen de begeleidende akkoordenreeks. De begeleiding is in dit voorbeeld genoteerd in de zogenaamde lead-sheetnotatie(*)

(*) Zie meer over akkoorden en notatievormen in het hoofdstuk Akkoorden: Inhoudsopgave algemene akkoordenleer

Drone

Ook wel bourdon (Engels: burden) genoemd. Dit is een continue toon of een continue samenklank van tonen (meestal de geproduceerde grondtoon van een instrument, met eventueel een octaaf of kwint daarboven), die onder de voortgaande melodie blijft klinken. Deze wijze van deze vorm van traditionele harmonische ondersteuning is erg oud en is welbekend in zowel de oude als moderne volksmuziek. De diversiteit aan traditionele instrumenten hebben daarvoor een extra voorziening, bijvoorbeeld de dronepijpen van doedelzakken, (Eng. 'pipes'), de bourdonsnaren van een draailier (Eng. 'hurdy-gurdy') en citerachtige instrumenten. Toepassing van de drone als onderliggende harmonievorm is overigens een algemeen gebruik in de volksmuziek over de hele wereld en niet alleen specifiek voor de Britse Eilanden.

Orgelpunt (Engels: 'pedal point')

De drone of bourdon kan eveneens onder een akkoordenprogressie worden aangewend. In de klassieke muziektheorie, spreekt dan liever van orgelpunt (Eng. 'pedal-point'), maar kan deze eveneens met de term drone aangeduiden. Het orgelpunt en drone vormen ook heden ten dage belangrijke begeleidingstechnieken in de muziek van Ierland en Schotland. Een hedendaagse veelgebruikte toepassing is bijvoorbeeld de 'Keltische gitaarstemming' DAdgad1, een uitvinding van de folkgitarist Davey Graham.

Tonica-dominant principe

De termen tonica, subdominant en dominant zijn termen uit de functionele harmonieleer, zoals deze werd geïntroduceerd door de Franse componist en muziektheoreticus Jean-Philippe Rameau (1683 - 1764). Zijn bekendste werk in deze is 'Traité de l'harmonie reduite à ses principes naturels' (1722), waarin deze begrippen werden gedefinieerd. Rameau verklaarde zijn theorie op basis van de samenklinkende natuurlijke tonen en boventonen bij het trillen van bijvoorbeeld een snaar. Er zijn overigens praktische voorbeelden die niet aan deze perceptietheorie voldoen. Daarentegen is de functionele harmonie volgens Rameau nog steeds gangbaar. De tonale functies van de fundamentele bassen en akkoorden: tonica, subdominant en dominant zijn de spil in de muziek, zoals Rameau verwoord (Rameau, 1722):

"Du progrès des Sons fondamentaux & de celui qu'ils fixent aux accords, naissent des Chants de toute espece: d'où l'on doit inferer que la Mélodie naît de l'Harmonie. "

"Vanuit de voortgang van de fundamentele tonen, waarmee men de akkoorden vastlegt worden allerlei liederen geboren: hieruit moet geconcludeerd worden dat de melodie uit de harmonie geboren wordt."

De hoofdfuncties worden aangeduid met de positie van de akkoorden op toontrappen van de majeur en de (harmonische) mineurtoonladder: I (tonica), IV (subdominant) en V (dominant).

Double-tonic en polaire harmonie

De Schotse musicus en musicoloog Francis Collinson maakte reeds in 1966 melding van deze techniek, samen met de definitie, in zijn 'Traditional and National Music of Scotland' in de betekenis van het verschuiven van de tonica (grondtoon van de toonsoort) naar een hele noot daaronder (subtonica) en weer terug (Collinson, 1960). Waar Collinson deze verschuiving feitelijk weergeeft voor de melodie, geldt dit dus eveneens voor een onderliggende harmonie of grondbas (double-tonic ground), waarin de akkoorden of bassen onderling steeds een secunde alterneren. Double-tonic heeft zowel een melodie- als een harmoniecomponent, die nauwkeurig op elkaar zijn ingesteld (bimodaliteit). Men kan dat polaire harmonie of binaire harmonie noemen. (Een wel bekend voorbeeld is de sea-shanty 'What Shall we do with a drunken sailor'.

De compositietechniek is zeer kenmerkend voor veel voornamelijk traditionele muziekvormen van de Britse Eilanden, maar komt in enkele zeer zeldzame gevallen ook elders in Europa voor.

We zien het niet alleen veelvuldig terug in de Ierse en Schotse traditionele muziek, maar ook in bijvoorbeeld oude Engelse hornpipes (Ward, 1990).

De harmoniecomponent, was belangrijk voor een voorgeschreven contrasterende akkoordenwisseling in de middeleeuwse snaarmuziek van Wales (cerdd dant) en zeer waarschijnlijk ook in de gelijksoortige snaarmuziek in het middeleeuwse Ierland. De double-tonic techniek wordt eveneens aangewend in combinatie met droneharmonie, namelijk bij Schotse doedelzakmuziek. (Zie bijvoorbeeld ook in het artikel Vormen en technieken: Piobaireachd)

Deze muziek toont een melodische component op zich, in de vorm van alternerende frasen of motieven, die in grote lijnen onderling een secunde van elkaar verschillen. De harmoniecomponent is dan louter drone-harmonie in combinatie met de melodietonen. Laat men de drone weg, dan is het eveneens mogelijk om een double-tonic-ground aan te wenden.

Een voorbeeld van double-tonic met een melodie- en harmonie-element is het welbekende Ierse harpstuk 'Brian Boru's March', een compositie dat mogelijk uit de 16e eeuw stamt. De notenbalk toont gelijke, doch alternerende motieven die door wisselende drieklanken A-C-E en G-B-D worden gevolgd (Am- en G-akkoord).

Aan double-tonic harmonie wordt in de gangbare Europese muziekgeschiedenis en -theorie niet tot nauwelijks aandacht geschonken. De techniek valt niet te vatten in de bekende conventies van de harmonische functieleer, maar is zoals gezegd, gebaseerd op inheemse muzikale principes van de Britse Eilanden. Feitelijk heeft deze harmonie zich vooral daar doorontwikkeld, alhoewel het niet duidelijk is, waar en wanneer het oorspronkelijk is ontstaan. Het is wel bekend dat het zich in latere perioden vanuit de Britse Eilanden naar enkele continentale gebieden heeft uitgebreid. De double-tonic- of polaire harmonie vindt, in termen van de moderne theorie, plaats tussen de tonica- en subtonica-akkoorden (of bassen) (I-VII) of tonica en supertonica-akkoorden (I-II) (of bassen). Bij hedendaagse analyses maakt men voor het gemak en ter verduidelijking vaak gebruik van een 'binaire' symboliek 1 en 0 om de contrasterende elementen aan te duiden, een traditionele notatie uit de Welshe cerdd dant. Als double-tonic elementen in gelijke tijdspannen (isochroon) alterneren, kan men van pendulaire harmonie spreken.

2. Een beknopt overzicht van de muziekgeschiedenis vanuit conventioneel klassiek gezichtspunt

Het is zinvol om in eerste instantie historische ontwikkelingen te bespreken, zoals deze in het algemeen in klassieke zin worden benaderd. Een belangrijke kern in deze theorie is de opvatting dat de hoog ontwikkelde harmonie het resultaat was van een logische evolutie in de Europese muziek. Als basis van deze ontwikkeling beschouwt men de oorspronkelijke modale eenstemmigheid (monofonie) van de ecclesiastische- en seculaire zang. De bijdragen die betrokken zijn op de Britse eilanden, juist hetgeen dat binnen de context van deze website van belang is, is in deze benadering beperkt tot een zijsprong, die de conventionele continentale harmonie mede hebben beïnvloed. Binnen de Europese muziekgeschiedenis blijkt er nauwelijks plaats te zijn voor inheemse kunst- en volksmuziek. Welke redenen daarvoor zijn, is niet duidelijk, maar mogelijkerwijs is het moeilijk om één en ander binnen de gangbare conventies te plaatsen.

In sectie 3 van dit artikel, wordt een totaal andere benadering gegeven die is gebaseerd vanuit een etnomusicologische zienswijze, waarme diverse aannames in de gangbare muziekgeschiedenis in een ander licht worden geplaatst.

De primitieven

De aanvang van de klassiek muziekgeschiedenis laat men plaatsvinden bij de zogenaamde primitieven, waarvan men heden ten dage diverse voorbeelden kan aangeven. De term primitief wordt door Curt Sachs gedefnieerd als half-geciviliseerd stammen die over de hele wereld verspreid leven. Hieronder geldt ook volgens Curt Sachs een groot aantal boeren, vissers een veehoeders in Europa en Amerika. Niet-primitief zijn volgens Sachs de hogere standen die op hoog peil staan in het nabije en Midden-Oosten, India en Oost en Zuid-Oost Azië. Een goede definitie van primitieve muziek is moeilijk te geven, mede vanwege het ontbreken van notatie en een theoretisch systeem (Sachs, 1955, 1959):

"Ook zou een nadere schets de nadruk leggen op de magische betekenis der primitieve muziek, die haar verhinderd heeft een kunst op zichzelf te zijn ten dienste van vermaak of stichting. Maar iedereeen die werkelijk op de hoogte is met het muziekleven der primitieven, zal ten zeerste aarzelen om dergelijke omstandigheden in een uiteindelijke definitie vast te leggen."

Volgens is Curt Sachs is de esthetiek bij de primitieven ver te zoeken, hetgeen overduidelijk uit het gebruik van instrumenten blijkt. Deze zijn gebaseerd op het materiaal dat de natuur te bieden heeft. De magie speelde of speelt bij het gebruik van instrumenten een grotere rol dan voor muzikale doeleinden. Het zingen was het begin van de muziekontwikkeling, kennelijk gedreven door de behoefte om de klank van de stem te ordenen. Sachs onderscheidt veschillend stijlen:

  • de logogenische stijl, eenvoudig gezang, een afwisseling van twee tonen (grote secunde, terts, soms een kwart) waar het woord in het middelpunt stond
  • de pathogenisch stijl, een hartstochtelijke stijl met minder aandacht aan het woord, doch een 'vurige ontlading' van opgekropte krachten, emoties en spanningen. De stem springt omhoog en omlaag met 'wilde, dreunende kreten en gehuil'. In de loop van de ontwikkeling werden bepaalde intervallen, octaven, kwinten, kwarten en tertsen tot vaste steunpunten.
  • de melogenische stijl: een samensmelting van de logogenische en pathogenische stijl. De gebruikte intervallen hangen af van de beweeglijkheid van de uitvoerders.

Eindeloze herhaling van een eenvoudige frase van enkele tonen heeft kennelijk geleid tot een ontwikkeling, die bijvoorbeeld naar de zang van de roomse kerk heeft geleid, antifonale gezang (afwisselend zingen tussen twee koren) en responsoriaal gezang (met een voorzanger en een antwoordend koor). Van polyfonie is volgens Sachs, uitgezonderd zeldzame gevallen, nauwelijks iets te bespeuren en classificeert eventuele aanwezige samenklank als heterofonie. (Sachs, 1955, 1959

2.2 Oosterse muziek

Curt Sachs definieerde oosterse muziek, als die van het gebied van Marokko, delen van Spanje tot aan de Maleise Archipel gedurende een tijdspanne van 5000 jaar. Dat wil zeggen vanaf de oudheid tot heden. Sachs onderkende verschillen van deze muziek ten opzichte van die van de primitieven en de ontwikkelde Westers muziek. Sachs meldt dat heden ten dage in China nog steeds kenmerken aanwezig zijn zoals deze 2000 jaar geleden nog werden toegepast. Ondanks het verval door vreemde idiomatische invloeden, bleven de pentatonische toonladders gehandhaafd. Zo ook het oude toonsysteem van 12 ongetempereerde, ongelijke halve tonen (de traditionele zogenaamde lülü) (Sachs, 1955, 1959)(New Grove, 2001, V, 640).

India bevindt zich in een gelijksoortige positie, gedurende 14 eeuwen heeft het zijn systeem van microtonen bewaard (sruti), als aanvulling op de bestaande halve en hele tonen. Bewaard zijn de stamtoonreeksen (svara), patronen voor melodie en ritme (rama en tala) (Sachs, 1955, 1959) (New Grove, 2001; vol. 12, 170-220).

Er heeft ook weinig verandering plaats gevonden van de muziek van het Nabije Oosten (Arabische landen, Iran en Turkije), waarin de praktijk en theorie van de 10e eeuw nog wordt toegepast. Ook Arabische muziek kent strenge patronen op basis van modus, tempo, verloop, expressie en melodische wendingen, de zogenaamde maqamát (enkelvoud: maqam). In het nabije Oosten worden nog dezelfde instrumenten worden nog gebruikt als in het verleden (vedel, luit, citer, fluit, lijstrom), maar ook dubbelklarinetten, hobo's en trompetten hebben geen veranderingen ondergaan. Een belangrijke kenmerk van Oosterse muziek is het overwegende vocale karakter. Zuiver instrumentale muziek heeft vooral betrekking op de dans. In tegenstelling tot de Westerse muziek, is de melodie het wezenlijke element. Er is enige vorm van meerstemmigheid in de vorm van drone-harmonie en heterofonie met toevallige octaven, kwinten en kwarten.

De harp en lier in deze gebieden speelden vanaf 3000 v.C. in de oriëntaalse gebieden reeds een belangrijke rol. Het klassieke Griekenland krijgt in de muziekgeschiedenis een belangrijke rol toebedeeld, met name met betrekking tot de klassieke theorieë van toonreeksen. Deze theorieën vormden uiteindelijk de blauwdruk voor de middeleeuwse muziektheoretici.

(Zie meer in de volgende artikelen in het hoofdstuk Toonsystematiek: Griekse toonladdertheorieën en modaliteit
Laat-Romeinse en middeleeuwse muziektheorieën)

2.3 Monofonie en heterofonie

Afgezien van de toepassing van drones, was de muziek van de middeleeuwen monofoon, waarin de zang het belangrijkste element vormde. Meerstemmigheid speelde nog geen enkele rol, terwijl de expressie zich uitsluitend binnen de melodie manifesteerde, waarbij iedere partij dezelfde melodie zong. De muziek was, ondanks deze éénstemmigheid, volkomen af.

(Zie het artikel in het hoofdstuk Toonsystematiek: Liturgische muziek en ecclesiastische modaliteit.)

Dit gold zeker voor de kerkelijke zang, niet alleen voor het cantus planus (b.v. het gregoriaans) maar eveneens voor de latere protestantse psalmodie en niet te vergeten het kerkelijke en niet-kerkelijke volkslied. Samenzang, met of zonder instrumentaal samenspel leidt tot individuele ritmische interpretaties en tooninvullingen van de zangers en instrumentalisten, hetgeen zich uitte in een vorm van heterofonie. Daarvan wordt gezegd dat zich hier uit, door louter toevalligheden de eerste kiemen tot de meerstemmigheid zijn ontstaan.

2.4 De Europese seculaire muziek

Van de meeste vroege monofone seculaire (volks)muziek zijn weinig gegevens bewaard gebleven voor wat betreft de muzieknotatie, daar men grotendeels gebruikt maakte van oraal-auditieve doorgifte (mond-tot-mond-overlevering). Aan de hand van middeleeuwse afbeeldingen, bijvoorbeeld in de 13e eeuwse Castiliaanse Cantigas de Santa Maria, waarop muzikanten, instrumenten, toehoorders en dansers staan afgebeeld, valt gemakkelijk af te leiden, dat voor zowel de dansmuziek als ter ondersteuning van de zang, het gebruik van instrumenten gewoon was. De bekende instrumenten die met deze voorziening waren uitgerust bijvoorbeeld de doedelzak (zowel met, als zonder dronepijpen), blaas-, tokkel- en strijkinstrumenten. De doedelzak en voorlopers ervan speelden in zowel de continentale als in de insulaire gebieden een prominente rol, zowel in de stad als op het platteland in de dansmuziek, gezien de veelvuldigheid die men op de verschillende manuscripten, prenten en schilderijen tegenkomt.

Overigens zal de volksmuziek nooit een geïsoleerde positie hebben ingenomen ten op zichte van de 'kunstmuziek', net zo min het andersom het geval was. Een creatieve uitwisseling met de 'kunst'-muziek is evident (A. Schaeffner in 'Musique populaire et art musical', Journal de Psychologie, jan-jun, 1951, geciteerd in Eric Blom, Grove's, 1954, vol.III, p. 183):

"the criteria which allow us to distinguish between what is and what is not folkmusic, nowhere show characteristics such as, are not to be found in any kind of music"

...

[bron: http--musicologie.baloney.nl/main/harmonie/harmonie.inleiding.htm]

--- Over (foto 2): Aula ---

De Aula-reeks is een populair-wetenschappelijke boekenreeks die in 1957 werd gestart door Uitgeverij Het Spectrum in Utrecht als wetenschappelijkere versie van de Prisma Pockets naar het voorbeeld van de Engelse Pelican Books. De reeks omvatte ruim 700 pockets over mens- en natuurwetenschappen, kunst en filosofie.

Het betreft de volgende uitgaven:

...

[bron: wikipedia]

--- Over (foto 3): Curt Sachs ---

Curt Sachs (Berlijn, 29 juni 1881 - New York, 5 februari 1959) was een Duits (etno-) musicoloog. Hij was een van de grondleggers van de moderne organologie en stelde met Erich von Hornbostel het Sachs-Hornbostel-systeem voor classificatie van muziekinstrumenten op.

Sachs kreeg muziekles van Leo Schrattenholz en studeerde muziekgeschiedenis aan de universiteit van Berlijn. In 1904 doctoreerde hij over de beeldhouwkunst van Andrea del Verrocchio, waarna hij een tijdlang een loopbaan als kunsthistoricus ambieerde. In deze periode hielp hij mee met de uitgave van het tijdschrift Monatshefte für kunstwissenschaftliche Literatur en werkte hij aan het Kunstgewerbe Museum in Berlijn. Vanaf 1909 wijdde hij zich helemaal aan de muziek. Na zijn legerdienst tijdens de Eerste Wereldoorlog ging hij samen met Hornbostel aan de slag aan het Berlin Phonogramm-Archiv. In 1914 publiceerde het duo het artikel Systematik der Musikinstrumente, dat een nieuwe basis vormde voor de classificatie van zowel westerse als niet-westerse muziekinstrumenten.

In 1920 werd hij directeur van de Staatliche Instrumentensammlung, die toen nog deel uitmaakte van de Staatliche Akademie Hochschule für Musik te Berlijn. Hij reorganiseerde er de instrumenten en restaureerde er een aantal zodat zij opnieuw ten klinken konden gebracht worden. Hij gaf ook les aan deze school, naast de Hochschule für Musik en de Akademie für Kirchen- und Schulmusik.

In 1933 werd het Sachs verboden om academische posities in te nemen vanwege zijn Joodse achtergrond. Daarom trok hij naar Frankrijk, vanwaar hij in 1937 uiteindelijk naar de Verenigde Staten zou emigreren. Hij gaf er les aan een aantal Amerikaanse universiteiten, waaronder de Columbia Universiteiten (Harvard, Northwestern, Michigan en New York).

[bron: wikipedia]

Born: June 29, 1881 Berlin Germany
Died: February 5, 1959 (aged 77) New York City New York
Subjects Of Study: music musical instrument classification

Curt Sachs, (born June 29, 1881, Berlin, Ger. - died Feb. 5, 1959, New York, N.Y., U.S.), eminent German musicologist, teacher, and authority on musical instruments.

In his youth Sachs took lessons in piano, theory, and composition. Later, at Berlin University-although he included music history in his studies-he took his doctorate in the history of art (1904). After several years as an art critic and historian, during which time he helped to edit the Monatshefte für kunstwissenschaftliche Literatur ("Monthly Journal for Art Historical Literature") and worked at the Arts and Crafts Museum in Berlin, Sachs decided to centre his career entirely on music. His plans were interrupted by military service during World War I, after which he returned to Berlin and in 1919 was appointed curator of the State Collection of Musical Instruments. He soon reorganized this outstanding collection, restoring many of its musical instruments to working order. He also commenced teaching at the Berlin University and by 1928 was made professor there as well as at the National Academy of Music.

In 1933, because he was a Jew, Sachs was dismissed from all his academic positions and was compelled to leave Germany. He went first to Paris, where he joined André Schaeffner at the ethnological museum (now the Musée de l'Homme) and was a visiting professor at the Sorbonne. The next year he began to make the series of recordings known as L'Anthologie Sonore, which served as an invaluable guide to the actual sound of early music. In 1937 he resettled in the United States, teaching at New York University (1937-53) and serving as consultant at the New York Public Library.

Sachs's last years were filled with recognition and acclaim. As one of the founders of modern organology (the study of the nature and history of musical instruments), he collaborated with Erich von Hornbostel to create the method of classification for musical instruments that is now a standard guide. Sachs's Real-Lexikon der Musikinstrumente (1913, reprinted 1962) is the definitive history of musical instruments. Sachs's other works include World History of the Dance (1937), The Rise of Music in the Ancient World (1943), and The Commonwealth of Art: Style in the Fine Arts, Music and the Dance (1946).

[source: https--www.britannica.com/biography/Curt-Sachs]

Curt Sachs - Duits-Amerikaans (etno)musicoloog, geboren Berlijn 29 juni 1881, gestorven New York 5 februari 1959 [2008-11-27]

Terwijl Curt Sachs op het gymnasium in Berlijn zit, studeert hij piano en compositie bij L. Schrattenholz en klarinet bij Rausch. Daarna gaat hij naar de universiteit van Berlijn, waar hij muziekgeschiedenis bij Oskar Fleischer studeert. Sachs studeert eveneens kunstgeschiedenis waarin hij in 1904 zijn doctoraal behaalt met een thesis over de beeldhouwkunst van Verrocchio. Sachs is tot 1909 actief als kunsthistoricus, terwijl hij musicologie onderwijs volgt bij Hermann Kretzschmar en Wolf.

Daarna wijdt hij zich aan musicologie, waarbij hij zich specialiseert in de geschiedenis van muziekinstrumenten. In 1913 publiceert Sachs zijn boek Real-Lexicon der Musikinstrumente en in 1914 publiceert hij met Erich Moritz von Hornbostel een nieuw systeem voor de classificatie van muziekinstrumenten, tegenwoordig bekend als het Sachs-Hornbostel systeem.

In 1919 wordt Sachs directeur van de Staatliche Instrumenten Sammlung in Berlijn. Verder doceert Sachs aan de universiteit van Berlijn, de Staatliche Hochschule für Musik en de Akademie für Kirchen- und Schulmusik.

In 1933 is Curt Sachs gedwongen om Duitsland te verlaten en gaat hij naar Parijs als charge de mission aan het etnografische museum Musée de l'Homme en is hij gastprofessor aan de Sorbonne.

In 1937 vestigt Sachs zich in de V.S., waar hij van 1937-53 muziek doceert aan de universiteit van New York. Hij is ook adviseur van de Openbare Bibliotheek van New York van 1937-52, adjunct docent aan de universiteit van Columbia vanaf 1953 en voorzitter van de Amerikaanse Musicologie Vereniging in 1949-50.

Werk: Musikgeschichte der Stadt Berlin bis zum Jahre 1800 (1908); Musik und Oper am Kurbrandenburgischen Hof (1910); Reallexikon der Musikinstrumente (1913); Die Musikinstrumente Indiens und Indonesiens (1915); Die Musikinstrumente des alten Ägyptens (1920); Handbuch der Musikinstrumentenkunde (1920); Die Musikinstrumente (1923); Das Klavier (1923); Geist und Werden der Musikinstrumente (1929); Weltgeschichte des Tanzes (1933, Engelse vertaling 1937); The History of Musical Instruments (1940); The Rise of Music in the Ancient World (1943); The Evolution of Piano Music (1944); Our Musical Heritage (1948); Rhythm and Tempo: A Study in Music History (1953).

[bron: https--www.muziekbus.nl/muziek/curt+sachs.html]
...
...
...
...
...
...
...
...
...
...
...
...
Nieuwpoort+Deel Westende
72x bekeken
1x bewaard
Sinds 16 jan '25
Zoekertjesnummer: m2223863166