Kenmerken
Conditie
Zo goed als nieuw
Achtergrond
Esoterie en Spiritualiteit
Jaar (oorspr.)
2005
Auteur
zie beschrijving
Beschrijving
||boek: Een vrouw door de woestijn|Een gepassioneerd en excentriek vrouwenleven|Rainbow Pockets [670]
||door: Isabelle Eberhardt
||taal: nl
||jaar: 2005
||druk: uitgave in Rainbow Pockets
||pag.: 506p
||opm.: pocket|zo goed als nieuw
||isbn: 90-417-0571-6
||code: 1:000163
--- Over het boek (foto 1): Een vrouw door de woestijn ---
Zeven jaar lang reisde Isabelle Eberhardt (1877-1904) vermomd als man door het onherbergzame Noord-Afrika en de landen van de Sahara. Zij bekeerde zich tot de islam, overleefde een aanslag op haar leven en trouwde met een Arabische officier. Aan haar opzienbarende bestaan kwam een vroegtijdig einde door een overstroming.
Tijdens haar reizen hield Eberhardt een dagboek bij en schreef zij verhalen en vele brieven waarin zij met veel liefde schreef over de woeste natuur van Noord-Afrika, de Arabische bevolking en over haar avonturen. In deze verzameling uit het werk van Isabelle Eberhardt komt het beeld naar voren van een zeldzaam levenslustige en voor haar tijd unieke vrouw. Een vrouw die zich van de heersende normen niets aantrok en zich door niemand liet dwingen behalve zichzelf.
[bron: https--www.bol.com]
In deze verzameling uit het werk van Isabelle Eberhardt komt het beeld naar voren van een voor haar tijd uniek vrouw. Een vrouw die zich van de heersende normen niets aantrok en zich door niemand liet dwingen behalve zichzelf.
Alles aan het leven van Isabelle Eberhardt is opmerkelijk --Trouw
Een gepassioneerd en paradoxaal vrouwenleven --NRC-Handelsblad
Isbelle Eberhardt (Genève 1877) was van Russisch-Armeense afkomst en groeide op in een anarchistisch milieu. Als zij op 27-jarige leeftijd om het leven komt is zij in heel Noord-Afrika bekend als een excentrieke en intellectuele zwerfster in mannenkleren.
[bron: https--www.esthersboekenplank.nl/een-vrouw-door-de-woestijn-isabelle-eberhardt]
Over Isabelle's reis naar de Islam
De eerste tekst die Isabelle publiceert, Infernalia, onder het pseudoniem Podolinsky, handelt over een jongeman die het dode lichaam verkracht van een jonge vrouw. Ondertitel van de tekst: Volupté sépulcrale. Zij/hij voegt ook een gedicht aan de tekst toe, een gedicht over de liefde van Jean Richepin: Amour sans fin, amours sans nombre, Amours aux objets innomés, Amour d'un rêve, amour d'une ombre, C'est toujours de l'amour. Aimez! Aimez! Dans vos regards limpides Ces éclairs toujours rallumés Sont les étincelles rapides De la flamme éternelle. Aimez! Met deze tekst opent Podolinsky een verhaal over een jongeman die geen weerstand kan bieden aan het dode lichaam van een jonge vrouw.
In haar tweede tekst, Vision du Moghreb, beschrijft ze de moslim wereld zonder dat ze er ooit is geweest. Ze/hij doet dit heel goed. Ze beschrijft hoe een muezzin levend verbrandt, terwijl hij, vanaf een minaret, het avondgebed (Moghreb) zingt. Het Franse koloniale leger heeft het dorp geplunderd en in brand gestoken.
Twee jaar later (1897) woont ze met haar moeder in Bône (wat nu Annaba heet) en komt voor het eerst in contact met talebs van een zaouïa. Het eerste verhaal dat ze in Algerije schrijft heet Les Oulémas. Ouléma betekent in het Arabisch 'wijze'. Het stuk wordt gepubliceerd in maart 1898. Het is het eerste deel van een drieluik. In juni en juli verschijnen de twee andere stukken, ook ondertekend door Podolinsky. De verteller in Les Oulémas denkt terug aan de tijd van zijn opvoeding in een soefi broederschap. Hij heet Si Mahmoud el Moskouby. Later zal Isabelle Mahmoud als naam aannemen wanneer ze vermomd als jonge man rond reist in Algerije. Het hoofdpersonage in Les Oulémas is net als Isabelle twintig jaar wanneer hij in Algerije arriveert. Een spel van biografische perspectieven. De fictieve Mahmoud el Moskouby is ook van Russische afkomst en hij wordt verliefd op een meisje dat Mannoubia heet, die naam verwijst naar Isabelle's moeder.
Saïda Aïcha Mannoubia (1180-1257) is één van de zeldzame vrouwen die als heilige wordt vereerd in de Islam. Ze wordt vooral in Tunesië vereerd. Ze krijgt de hoogste achtenswaardigheid in de soefi hiërarchie, wat voor een vrouw een zeldzaamheid is. Ze verzet zich tegen de autoriteit van de vader, tegen de huwelijksregeling en kiest voor het celibaat. Ze is een geleerde. Mannoubia is de Islamitische naam die Isabelle's moeder Nathalie aanneemt na haar bekering tot de Islam. Heeft Isabelle die naam voor haar moeder gekozen? Ook Nathalie heeft zich verzet tegen de autoriteit van de mannen. Ze verliet haar man, een generaal in dienst van de Russische tsaar, en vluchtte naar Zwitserland met haar kinderen en de leraar van haar kinderen, Trofimovsky. Een vluchtpunt waar Isabelle haar ontstaan aan te danken heeft, denkt ze. Kind van een verboden liefde, getekend door het blanco, teken van de afwezigheid van de naam van een vader. Nathalie de Moerder (Nathalie Eberhardt) heet als moslima Fatma Mannoubia. Beide namen staan op haar graf in Annaba. Nathalie de Moerder sterft in november 1898.
Alles wijst erop dat moeder en dochter zich in Algerije bekeerden tot de Islam. In mei 1897 arriveren Nathalie de Moerder, Alexander Trofimovsky (Vava) en Isabelle, gekleed als een Europese jongeman, in Annaba (Bône) in Algerije. Ze wonen er in de Europese wijk. Maar Vava keert al snel terug naar Zwitserland waarna de twee vrouwen naar het Arabische deel van de stad verhuizen. Ze wonen naast een zaouïa. Aan het einde van de negentiende eeuw bestaan er in Noord Afrika meerdere Islamitische broederschappen binnen een vorm van kloosters (zaouïa). Zij staan in hun geloofsbeleving dicht bij de bevolking. Ze vertrekken vanuit de bestaande tradities rond heiligenvereringen. De specifieke verhouding tot God die ze via de Koran tot uiting brengen verschilt daarom van streek tot streek. Dit varieert van een
authentiek mysticisme tot eenvoudig bijgeloof. Deze broederschappen worden heel scherp in de gaten gehouden door het koloniale bestuur. In een eerste fase verzetten zij zich tegen de kolonialen, maar na verloop van tijd aanvaarden ze hun autoriteit. De bekendste broederschappen zijn Quadriya (gesticht in Bagdad in de 12e eeuw) en Tidjaniya (gesticht in Algerije in de 18e eeuw). Isabelle leert verschillende Islamitische marabouts kennen. Een marabout is een religieuze soefi leraar, een geestelijk leider. In Berbertaal betekent het 'heilige'. Isabelle komt in contact met een Islam zonder zware dogmatiek. Het Soefisme floreert alleen bij politieke regimes met een open en tolerant karakter. De meeste nationalistische bewegingen hebben in de Moslim wereld deze tolerante vorm van de Islam onderdrukt. Waardoor religieuze stromingen die zich beroepen op een letterlijke interpretatie van teksten uit de Koran versterkt werden. Ideologische lezingen van de Islam kregen de overhand. Het Soefisme vertrekt vanuit de ervaring; kennis van God is alleen mogelijk via zelfkennis. Wie zichzelf kent, ervaart God. De weg naar kennis loopt via het zelf. De spirituele zoektocht naar zichzelf en God is wat Isabelle aantrekt in het Soefisme.
Een maand na haar aankomst in Algerije schrijft ze de Tunesiër Ali Abdul Wahab, met hem is ze in contact gekomen via Yaqub Sana. Ze ondertekent haar brieven met Meriem. Meriem is niet alleen een verwijzing naar het Hebreeuwse Miriam, maar ook naar Maria. Het is de Arabische vorm van Maria en/of Miriam. Marie is één van de meisjesnamen die Isabelle bij haar geboorte kreeg. Haar volledige naam is: Isabelle Wilhelmine Marie Eberhardt. Ook met Yaqub Sana (Abou Nadarra) blijft ze corresponderen. Hij ondertekent zijn brieven met 'Uw liefhebbende vader'.
De brieven die Isabelle aan Ali Abdul schrijft getuigen van een identiteitscrisis die een uitweg zoekt in mystiek religieuze gevoelens. Een zoeken naar een soort helende totaliteit, een zin geven aan het leven. Een existentieel zoeken dat samenhangt met een diepgaande familiecrisis. Het is betreurenswaardig dat in de Nederlandstalige bloemlezing van haar brieven geen van deze brieven werd opgenomen. De samensteller, de Egyptisch-Franse antropologe Eglal Errera, focust zich in haar keuze op Isabelle's geromantiseerde liefdesleven en haar reizen. Marie-Odile Delacour en Jean-René Huleu hebben, in samenwerking met de familie van Abdul Wahab, de briefwisseling gepubliceerd die Isabelle voerde met de mannen die ze in haar hart sloot.
Yaqub Sana introduceert Ali Abdul Wahab aan Isabelle als een penvriend. Ali is op dat moment op bezoek bij Yaqub in Parijs. Hij ziet de foto van Isabelle als zeeman in zijn werkkamer en vraagt wie die jonge zeeman is. Yaqub schrijft Isabelle over Ali en zij neemt al snel contact met hem op. Ali is de oudste zoon van Salah Abdul Wahab, eerste secretaris van Buitenlandse Zaken in Tunesië. Ze behoren tot een vooraanstaande Tunesische familie. Ali kreeg een moderne elite opleiding.
Isabelle schrijft tussen eind juni en half december meer dan twaalf brieven aan Ali. De gordiaanse knoop waar omheen deze brieven cirkelen is haar identiteit; wie is ze en wat wil ze met haar leven? Dit blijkt al uit het feit dat geen enkele brief ondertekend is met haar eigen naam; ze gebruikt pseudoniemen. Acht brieven zijn ondertekend met het pseudoniem Podolinsky, waarmee ze ook haar eerst uitgegeven werk ondertekent, en vijf met Meriem, de Arabische vorm van haar tweede naam Marie. Wie is ze? Man of vrouw? Een Russische zeeman, Podolinsky, zoals Ali haar voor het eerst op een foto bij Yaqub heeft gezien? Of een Russin, Marie, die Moslima, Meriem, wil worden? De eerste, Podolinsky, is het masker waarachter het tweede, de wensdroom naar de Islam, zich verbergt...
Om niet al te sterk te focussen op een psychologiserend verhaal rond de persoon van Isabelle, is het belangrijk een goed beeld te krijgen van de levensomstandigheden waarin ze opgroeide. In 1872 vlucht haar moeder Nathalie de Moerder weg uit het tsaristische Rusland, weg van haar man, een generaal in dienst van de tsaar. Ze neemt hun vijf kinderen en de leraar van haar kinderen, de anarchist Alexander Trofimovsky, mee. Hij is een orthodox priester geweest die zich later bekeerd zou hebben tot de Islam... Het jongste kind, Augustin, is geboren op 10 december 1871. Hij is nog geen jaar oud wanneer zijn moeder hem meeneemt op haar vlucht naar Zwitserland. Officieel is Augustin een zoon van de generaal, maar er is een vermoeden dat Augustin een kind is van Trofimovsky. Het spreekt voor zich dat de Russische generaal, die zijn vrouw en kinderen ziet wegvluchten, dit niet zomaar naast zich neerlegt. De Russische autoriteiten maken het leven van dit gevluchte gezin niet makkelijk. Vooral niet als Trofimovsky steeds meer bekendheid krijgt als anarchist en dus staatsvijand van Rusland. Vijf jaar later, op 17 februari 1877, wordt Isabelle geboren. Op haar geboortecertificaat ontbreekt de naam van de vader. Maar alle pijlen wijzen in de richting van Trofimovsky...
Dit wordt echter nooit bevestigd of uitgesproken. Isabelle en haar vijf jaar oudere broer Augustin groeien op in een milieu van politieke vluchtelingen. Mirella Tenderini schrijft in haar biografie Isabelle, amica del deserto dat er aan het einde van 19e eeuw in Genève een grote groep politieke immigranten uit Rusland, Turkije, Armenië en de Balkan verblijft. Zij zoeken elkaar op en worden nauwlettend in de gaten gehouden door de Zwitserse politie en door buitenlandse geheime diensten. Tussen 1895 en 1899 verandert Isabelle's leven totaal.
In 1895, het jaar waarin Isabelle's eerste teksten gepubliceerd worden in het Parijse tijdschrift Nouvelle Revue Moderne. In dit jaar staat de vraag naar een beroepskeuze zowel bij haar vijf jaar oudere broer Augustin als bij Isabelle centraal. Augustin kiest voor fotografie en Isabelle voor schilderen. Hun moeder is enthousiast, maar Vava (zo noemde Isabelle Trofimovsky) niet. Broer en zus zijn ook van plan om samen boeken te schrijven. Ze denken aan reisverhalen naar het voorbeeld van Pierre Loti en Eugène Fromentin van wie ze allebei Une année dans le Sahel hebben gelezen. In september verschijnt Isabelle's Infernalia onder het pseudoniem Podolinsky. Hebben broer en zus dit verhaal samen geschreven? De biografe Tenderini betwijfelt dit door de coherentie van de stijl. Wel kunnen we ons de vraag stellen naar wat de impact van dit verhaal, een man heeft seks met het dode lichaam van een jonge vrouw in een mortuarium, in het gezin heeft gehad... In oktober vlucht Augustin het huis uit! Hij neemt daarbij een hoeveelheid geld met zich mee... Thuis is er totale paniek over de verdwijning van de zoon. Bij het doorzoeken van zijn spullen naar aanwijzingen die een verklaring zouden kunnen zijn voor zijn vlucht, ontdekt Isabelle vulgaire briefjes aan prostituees en minnaressen voor één nacht. En er duikt een ex-apothekeres op die een som geld eist. Als men haar niet betaald dreigt ze om met bewijslast naar de Zwitserse politie te stappen. Woorden als morfine en cocaïne vallen. Augustin heeft drugs schulden. Daarom heeft hij geld gestolen en is hij gevlucht. Tussen de spullen van haar broer vindt Isabelle ook een kaartje dat verwijst naar een zeeman uit Toulon, Edouard Vivicorsi. Isabelle schrijft deze zeeman in de hoop dat hij haar in contact kan brengen met Augustin. Ze ondertekent deze brieven met Podolonsky, een zeeman. Uit deze tijd dateert de foto die ze van zichzelf laat maken als zeeman, met op de zeemansmuts de tekst 'vengeance' (wraak). Deze foto moet helpen haar overtuigingskracht te vergroten tegenover Edouard Vivicorsi. En het lukt; Vivicorsi brengt haar in contact met haar broer, die zich heeft ingeschreven bij het Vreemdelingenlegioen. Hij krijgt een militaire opleiding in Algerije. Isabelle schrijft hem woedende, verwijtende en verwarrende brieven.
Isabelle's plan lukt. Augustin verlaat het Vreemdelingenlegioen in februari 1896. Hij wil iets doen aan zijn drugsprobleem. In december 1896 vlucht hij opnieuw, om zich voor de tweede keer in te inschrijven bij het Vreemdelingenlegioen (januari 1897). Nu wordt hij gelegerd in Saïda, Algerije. De drugsproblemen van Augustin zijn ontstaan tijdens zijn studententijd op de faculteit scheikunde. Hij leert in Genève (in 1893) ook de portretfotograaf David kennen. Hij heeft een tweede verblijf in Algerije. Augustin gaat daar op bezoek. Zijn terugkeer bij Isabelle en de verhalen die hij haar vertelt over Algerije, krijgen vorm in het tweede verhaal dat van haar gepubliceerd wordt: Vision du Moghreb.
[bron: http--www.toneelgroepdeappel.nl]
--- Over (foto 2): Isabelle Eberhardt ---
Isabella Eberhardt (1877-1904) werd in Genève geboren uit Russische ouders. Ze trok al jong naar Algerije, waar ze rondreisde, meestal als man gekleed, en tot de islam overging. Ze schreef (in het Frans) dagboeken, reisverhalen en een roman. Haar werk, maar vooral haar korte avontuurlijke en excentrieke leven heeft in Frankrijk altijd tot de verbeelding gesproken. Dit boek beschrijft haar leven, veelal aan de hand van haar eigen teksten; het bevat ook verhalen van haar. Een degelijke, geannoteerde uitgave, niet gemakkelijk leesbaar, onder meer door de ingewikkelde structuur. Het onderwerp is echter fascinerend en zal zeker velen aanspreken.
[bron: https--sint-pieters-leeuw.bibliotheek.be]
Isabelle Eberhardt (Meyrin (kanton Genève), 17 februari 1877 - Aïn Sefra, Algerije, 21 oktober 1904) was een Zwitserse/Russische ontdekkingsreizigster en schrijfster die een avontuurlijk leven heeft geleid in Noord-Afrika.
Zij was de onwettige dochter van Nathalie Eberhardt en Alexandre Trophimowsky. Isabelle Eberhardt was een buitengewoon onafhankelijke vrouw, die de conventionele Europese moraal afwees, haar eigen weg koos. Ze huwde met Silimène Ehni en bekeerde zich tot de islam. Ze werd journaliste bij La Dépêche algérienne en l'Akhbar.
Onder de schuilnaam Si Mahmoud zwierf zij te paard door de woestijn en bezocht de islamitische heilige plaatsen. Haar reizen betaalde ze met het schrijven voor Europese kranten.
Eberhardt stierf op 27-jarige leeftijd, toen haar hutje werd meegesleurd door een plotseling optredende modderstroom. Haar dagboeken zijn na de overstroming teruggevonden en ook in het Nederlands vertaald. Haar geschriften, waarin ze het opnam voor de armen, verschenen allemaal na haar tragische dood.
De Australiër Ian Pringle maakte in 1992 een film over haar.
Bibliografie
Nederlandse uitgaven
[bron: wikipedia]
Isabelle Eberhardt (1877-1904) reisde zeven jaar door het onherbergzame Noord-Afrika. Gehuld in mannenkleren maakte ze lange trektochten door de woestijn, ze had een verhouding met een Arabische officier en bekeerde zich tot de Islam. Vol liefde beschrijft ze de natuur, de Arabische bevolking en haar avonturen in haar brieven, dagboeken en verhalen.
De antropologe Eglal Errera verzamelde de nagelaten manuscripten van Isabelle Eberhardt en vulde ze aan met feiten en achtergrondinformatie over haar leven.
[bron: https--www.goodreads.com]
Isabelle Eberhardt was a Swiss-Algerian explorer and writer who lived and travelled extensively in North Africa. For the time she was an extremely liberated individual who rejected conventional European morality in favour of her own path and that of Islam. Dressed as a man, calling herself Si Mahmoud Essadi, Eberhardt travelled in Arab society, with a freedom she could not otherwise have experienced. She died in a flash flood in the desert at the age of 27.
[source: https--www.goodreads.com]
When the Swiss-Russian writer and explorer Isabelle Eberhardt died in the Algerian Sahara in 1904, she was physically ravaged. She was only twenty-seven, but heavy smoking, drinking, and drug use had taken their toll, as had poor nourishment. On her travels she'd carried a gun, but not a toothbrush, and so she had lost her teeth. She suffered from malaria and possibly syphilis, and just before her death had spent weeks hospitalized with fever. An assassination attempt a few years earlier, when a religious enemy attacked Eberhardt with a sword, had nearly severed her arm and left her in constant pain. Despite her youth, her body could no longer carry on. Her strange and brilliant mind, though, was immortalized by the travelogues, journalism, and fiction she left behind. "No one ever lived more from day to day than I, or was more dependent upon chance," Eberhardt wrote shortly before her death. "It is the inescapable chain of events that has brought me to this point, rather than I who have caused things to happen."
A devotee of Islam and a Sufi initiate, Eberhardt repeatedly invoked the principle of mektoub: it is written. It was an all-purpose fatalism that allowed her to accept heartache, since it was, in her words, "totally useless and absurd" to rebel against sorrow. She rebelled against nearly everything else. She had innumerable erotic encounters with young Arab men ("God made me sensual") and gave free rein to the wanderlust that took her, in male guise, across the desert plains of North Africa. With preternatural boldness, she cast off all strictures - sartorial, behavioral, and sexual - associated with turn-of-the-century womanhood. Her early French biographer Claude-Maurice Robert marveled that she "drank more than a Légionnaire, smoked more kif than a hashish addict, and made love for the love of making love."
Eberhardt's roots were cosmopolitan, tangled, and romantic. According to some accounts, her mother, Nathalie, was the result of a liaison between a fraulein Eberhardt and a wealthy Russian Jew. Eberhardt's biographer Annette Kobak, however, describes blonde, elegant Nathalie as the legitimate scion of an aristocratic Prussian family in Moscow. Regardless of her lineage, Nathalie made a good marriage to Senator-General Pavel de Moerder, a senior adviser to the tsar. They had three children, two boys and a girl, for whom a tutor was engaged. This rather mundane development turned momentous. The household's new member, a dark-bearded Armenian named Alexander Trophimowsky, was a defrocked priest, an anarchist associate of Mikhail Bakunin and Tolstoy, and irresistibly attractive. Barely a year passed before Nathalie ran away to Switzerland with the tutor, who was also married, and her children. After nine months another son, Augustin, arrived. Isabelle Wilhelmine Marie Eberhardt followed five years later. She was registered as the fille naturelle - illegitimate daughter - of Nathalie.
Though Trophimowsky was almost certainly her father, Eberhardt grew up calling him by his nickname, Vava. As an adult, she enjoyed weaving stories around her ambiguous parentage. Her real father, she once claimed, was a doctor who raped her mother. More often, to bolster her adopted Islamic identity, she referred to her father as a Tatar Muslim. In one fanciful theory, advanced by Arthur Rimbaud's biographer Pierre Arnoult long after Eberhardt's death, she was the daughter of the idolized French poet. The evidence, including the eighteen-year-old Rimbaud's presence in Geneva when Eberhardt was conceived, is wholly circumstantial. Still, it makes for a compelling piece of apocrypha. The two writers, who both fled repressive bourgeois Europe for the stirring atmosphere of Africa, had a passing facial resemblance and shared a restless, visionary, live-fast-die-young spirit. At sixteen, Rimbaud declared, "I'm now making myself as scummy as I can. Why? I want to be a poet - The idea is to reach the unknown by the derangement of all the senses. It involves enormous suffering." Eberhardt's diary from when she was twenty-two contains a similar sentiment:
I assume for the gallery the borrowed mask of the cynic, the debauched layabout. No one yet has managed to see through to my real inner self, which is sensitive and pure and which rises above the degrading baseness I choose to wallow in, out of contempt for convention and also out of a strange desire to suffer.
Being the secret offspring of a canonized literary rebel who slept with both men and women, devoured opium and absinthe, and pioneered new poetic forms would have appealed to Eberhardt. But whether or not she shared his genes, it was Trophimowsky who wielded the most decisive influence.
The runaway family lived in the Villa Neuve, a large house in the countryside outside Geneva, set on four and a half verdant acres surrounded by pine trees. Eberhardt, according to neighbors, would "dance about like a little wild animal along the garden paths. Untamed and unfettered, she did whatever took her fancy from morning to night. Her fantasies knew no bounds." The children were taught at home by Trophimowsky, whose anarchist principles dictated that boys and girls alike should be intellectually nurtured. Along with an eclectic program of reading that included Voltaire, Plato, Turgenev, and Zola, Trophimowsky taught Eberhardt - who grew up bilingual in French and Russian - Latin, Italian, and Arabic.
By age sixteen, Eberhardt could read the Koran in Arabic, and was already feeling the magnetic draw of faraway lands. Spellbound by the novels of Pierre Loti and their evocative fictionalizing of his travels in "the Orient," she set her heart on going to North Africa. It was a place, she wrote, that exerted "an extraordinary attraction" before she'd ever seen it. Her short story Visions of the Maghreb, written when she was eighteen and still living in Switzerland, is an eerily precise projection of Eberhardt's future. Published under a male pseudonym in the French journal Nouvelle Revue Moderne (whose contributors also included Loti and Rimbaud's erstwhile boyfriend Paul Verlaine), this precocious, atmospheric tale depicts a young Russian woman's encounters with Halim, an Islamic mystic in Algeria. Its portrayal of Halim could be of the author herself a couple of years hence:
Of medium height, his slenderness seemed almost feminine beneath the wrapping of his coarse clothing typical of a man of the people - He sat down near the fire across from me, and in its rekindled glimmer, I saw his pale face, almost unreal in its beauty, with dark eyes that seemed illuminated from the interior by a mystical flame beneath the perfect arch of his black eyebrows.
Eberhardt's cross-dressing began under Trophimowsky's scholastic regime, where girls were expected to perform physical as well as intellectual labor. At his behest, Eberhardt had short hair and wore boys' clothing, all the more practical for chopping wood, gardening, and riding horses. In her late teens, when she was old enough to wander Geneva by herself, Trophimowsky allowed her to do so only if she wore trousers. She had a dalliance with a married man she met in the city, a "sensualist" like herself named Charles Schwarz. On one of their dates, Eberhardt was drunk and dressed as a sailor. Schwarz bet her that she wouldn't dare embrace him in public. But, as she delightedly relayed to her brother Augustin, she called his bluff. They kissed at length while sitting in a drugstore. This type of homoerotic role-playing, a recurrent theme of Eberhardt's sexual escapades, is the animating force of her only novel, Vagabond.
Drawing on Eberhardt's experiences as well as those of Augustin, Vagabond is a bildungsroman that charts the determination of a young Russian, Dimitri Orschanow, to maintain the freedom he adores. At the beginning of the novel, Orschanow, a medical student, falls in love with Vera, a clever and thoughtful political activist. But the normal life that stretches before him - marriage, children, a respectable career as a doctor - cannot compete in his imagination with the alternative:
To become a free vagabond sleeping on the side of the road, someone who possesses nothing and envies no one, someone at odds with neither himself nor with his fellow men, but happy in his independence, master of things, not dominated by them, and master above all of the infinite horizons.
Orschanow indulges his "love of the bewitching elsewhere." Abandoning the devoted Vera, he goes to seek a life of proletarian simplicity, liberated from domestication, sameness, and middle-class convention. It is a beautifully written, highly idealized fantasy. Yet the novel's exaltation of nomadism, and its philosophical rejection of ambition and materialism, is as thought provoking today as it was a hundred years ago. "A subject to which intellectuals never give a thought," wrote Eberhardt in a notebook, "is the right to be a vagrant, the freedom to wander. Yet vagrancy is deliverance, and life on the open road is the essence of freedom."
At around the age of twenty-one, Eberhardt began to travel around the Maghreb dressed as a young Arab or Turkish man. She would introduce herself as Si Mahmoud Saadi. If her biological sex was evident to some, Arab codes of courtesy meant that she wasn't challenged. Dressed in loose garments, with a fez atop her shaved head, she went on horseback expeditions through the Sahara, shared sleeping tents with groups of men, hung around the souks, and visited brothels with soldiers out of, she said, an "artist's curiosity." In Vagabond, a fascination with masculinity often shades into homoeroticism. Take, for example, this portrait of a group of dockers:
Their blue linen trousers were stained with tar and oil, their torsos seem molded into their blue and white vests, and loose red wool belts fell from their waists - The warm, rose-gold evening air brushed against their muscular necks and the bronzed contours of their faces.
When the dockers go on strike to protest their wages being undercut by migrant Italians, the politically jaded Orschanow views the action as foolhardy. Nevertheless, he is "mesmerized by the savage beauty of the crowd, by these healthy, robust men in their working clothes - suddenly dignified by their anger, their broad shoulders highlighted by the pools of alternating red and blue from the gas and electric lights." It is startling, and amusing, to read such an unabashed sexualized portrayal of blue-collar masculinity from an educated and privileged nineteenth-century woman.
The novel's renunciation of femininity extends to Orschanow's experience with a pale-faced young prostitute. Her lovemaking, he notes with approval, "was bitter and brutal, without the sentimentality or spinelessness of most girls." Eberhardt might have been talking about herself. Voraciously and unemotionally promiscuous, at times she lamented her "vulgar" side. Yet a friend from Tunis recalled that "when she saw a man she wanted, she took him. She'd beckon him over and off they'd go. She never made any pretenses; she never hid her adventures. Why should she?"
Eberhardt didn't seem to worry about pregnancy. Judging by her readiness to live among men in the most basic conditions, she probably didn't menstruate. If she was anorexic, as has been suggested, it ties in to both her religiosity and her masochism. "Suffering is a very positive thing," she wrote, "for it sublimates the emotions and produces great courage or devotion; it creates the capacity for strong feelings and all-encompassing ideas." Like her fellow Aquarian mystic Simone Weil, who starved herself and insisted on doing tough physical labor, Eberhardt would always choose a hard floor over a soft bed. Physical abnegation was a means of liberation, of transcendence over inconvenient biology.
Kobak remarks that Eberhardt "was living out in reality to an extraordinary degree the omniscience and androgyny that many writers take on in their imaginations." By the same token, she viewed writing as a form of exhilarating exploration. "For me it seems that by advancing in unknown territories," she wrote, "I enter my life." Despite the compulsions - sex, drugs, alcohol, travel - that occupied her waking hours, her writing was of central importance, and she was eager for publication. She was driven to maintain, she wrote, "two lives, one that is full of adventure and belongs to the Desert, and one, calm and restful, devoted to thought and far from all that might interfere with it."
At one point she considered settling down to a quiet life with Slimène Ehnni, an Algerian soldier with whom she fell passionately in love. Like Eberhardt, he belonged to the Qadriya, the oldest Sufi order. "God had pity on me and heard my prayers," she wrote. "He gave me the ideal companion, so ardently desired, and without whom my life would always have been incoherent and mournful." The young lovers talked about acquiring a small business to run together, a grocer's or a café. When they got married in October 1901, Eberhardt wore a wig, for once bowing to convention.
But it was ludicrous to suppose that marriage would slow Eberhardt's constant movement. While Ehnni's post as a quartermaster kept him in the north of the country, she worked as a war correspondent, reporting on Moroccan-Algerian border clashes between Berber tribes and French forces making territorial incursions. She also carried out intelligence missions for Hubert Lyautey, the French brigadier general in charge of Oran, and acted as intermediary between him and the local people. With her perfect idiomatic Arabic and intimate knowledge of the region, Eberhardt proved a valuable asset. Though she tended toward an anti-colonial viewpoint, she apparently trusted that a French protectorate conducted according to Lyautey's methods would benefit the Arab Muslims in Morocco. "What a delight," wrote the general, "to find someone who is truly himself, who rejects prejudice, servitude, banality, and who moves through life as freely as a bird through the air."
In the fall of 1904, when Eberhardt met up with her husband in the Saharan village of Aïn Sefra, they hadn't seen each other for eight months. They spent a happy night together. The next day, at around eleven o'clock, a deafening torrent of water rushed down from the mountains and obliterated a quarter of the town. Ehnni was swept away by the current and survived, but Eberhardt's body was found pinned under a beam of the house. She had just completed a manuscript of stories, and the muddy pages surrounded her. Under Lyautey's orders, soldiers sifted through the devastation to find all her papers, which were painstakingly reassembled and preserved.
Eberhardt never made much money from her writing, and what little she had she spent quickly on tobacco, books, or gifts for friends. Vagabond began as a serialized story in Al-Akhbar in 1903, but she often filed installments late, or not at all. Her work appeared in book form only posthumously, with several collections of stories and reflections published to critical acclaim in the years after her death. Vagabond made its debut as a novel in France in 1922; in 1988 the Hogarth Press put out Kobak's English translation, now out of print. Two anthologies, The Oblivion Seekers and In the Shadow of Islam, are currently available from the independent British press Peter Owen. These writings, which foreground the lives and experiences of North Africans, have established Eberhardt as a vital early critic of imperial rule. Her perspective, according to the Tunisian scholar Hédi A. Jaouad, "may have inaugurated the theme of decolonization in the Maghreb, for it expounded a theory of sociology and oppression whose theorists and critics would later include, among Francophone writers, the Martinican Frantz Fanon and the Tunisian Albert Memmi."
Eberhardt's legacy as a feminist, meanwhile, rests less on her writing than on her incredible and uncompromising life, which has acquired legendary status. The "Androgyne du Desert," as she was called in France, has inspired plays, films, a 2012 opera by the composer Missy Mazzoli, and even, in 2015, a New York musical, The Nomad. Such splashy glorification would have bewildered Eberhardt, who wrote, the year of her death, "Soon, the solitary, woeful figure that I am will vanish from this earth, where I have always been a spectator, an outsider among men."
Emma Garman [source: https--www.theparisreview.org/blog/2019/02/11/feminize-your-canon-isabelle-eberhardt]
||door: Isabelle Eberhardt
||taal: nl
||jaar: 2005
||druk: uitgave in Rainbow Pockets
||pag.: 506p
||opm.: pocket|zo goed als nieuw
||isbn: 90-417-0571-6
||code: 1:000163
--- Over het boek (foto 1): Een vrouw door de woestijn ---
Zeven jaar lang reisde Isabelle Eberhardt (1877-1904) vermomd als man door het onherbergzame Noord-Afrika en de landen van de Sahara. Zij bekeerde zich tot de islam, overleefde een aanslag op haar leven en trouwde met een Arabische officier. Aan haar opzienbarende bestaan kwam een vroegtijdig einde door een overstroming.
Tijdens haar reizen hield Eberhardt een dagboek bij en schreef zij verhalen en vele brieven waarin zij met veel liefde schreef over de woeste natuur van Noord-Afrika, de Arabische bevolking en over haar avonturen. In deze verzameling uit het werk van Isabelle Eberhardt komt het beeld naar voren van een zeldzaam levenslustige en voor haar tijd unieke vrouw. Een vrouw die zich van de heersende normen niets aantrok en zich door niemand liet dwingen behalve zichzelf.
[bron: https--www.bol.com]
In deze verzameling uit het werk van Isabelle Eberhardt komt het beeld naar voren van een voor haar tijd uniek vrouw. Een vrouw die zich van de heersende normen niets aantrok en zich door niemand liet dwingen behalve zichzelf.
Alles aan het leven van Isabelle Eberhardt is opmerkelijk --Trouw
Een gepassioneerd en paradoxaal vrouwenleven --NRC-Handelsblad
Isbelle Eberhardt (Genève 1877) was van Russisch-Armeense afkomst en groeide op in een anarchistisch milieu. Als zij op 27-jarige leeftijd om het leven komt is zij in heel Noord-Afrika bekend als een excentrieke en intellectuele zwerfster in mannenkleren.
[bron: https--www.esthersboekenplank.nl/een-vrouw-door-de-woestijn-isabelle-eberhardt]
Over Isabelle's reis naar de Islam
De eerste tekst die Isabelle publiceert, Infernalia, onder het pseudoniem Podolinsky, handelt over een jongeman die het dode lichaam verkracht van een jonge vrouw. Ondertitel van de tekst: Volupté sépulcrale. Zij/hij voegt ook een gedicht aan de tekst toe, een gedicht over de liefde van Jean Richepin: Amour sans fin, amours sans nombre, Amours aux objets innomés, Amour d'un rêve, amour d'une ombre, C'est toujours de l'amour. Aimez! Aimez! Dans vos regards limpides Ces éclairs toujours rallumés Sont les étincelles rapides De la flamme éternelle. Aimez! Met deze tekst opent Podolinsky een verhaal over een jongeman die geen weerstand kan bieden aan het dode lichaam van een jonge vrouw.
In haar tweede tekst, Vision du Moghreb, beschrijft ze de moslim wereld zonder dat ze er ooit is geweest. Ze/hij doet dit heel goed. Ze beschrijft hoe een muezzin levend verbrandt, terwijl hij, vanaf een minaret, het avondgebed (Moghreb) zingt. Het Franse koloniale leger heeft het dorp geplunderd en in brand gestoken.
Twee jaar later (1897) woont ze met haar moeder in Bône (wat nu Annaba heet) en komt voor het eerst in contact met talebs van een zaouïa. Het eerste verhaal dat ze in Algerije schrijft heet Les Oulémas. Ouléma betekent in het Arabisch 'wijze'. Het stuk wordt gepubliceerd in maart 1898. Het is het eerste deel van een drieluik. In juni en juli verschijnen de twee andere stukken, ook ondertekend door Podolinsky. De verteller in Les Oulémas denkt terug aan de tijd van zijn opvoeding in een soefi broederschap. Hij heet Si Mahmoud el Moskouby. Later zal Isabelle Mahmoud als naam aannemen wanneer ze vermomd als jonge man rond reist in Algerije. Het hoofdpersonage in Les Oulémas is net als Isabelle twintig jaar wanneer hij in Algerije arriveert. Een spel van biografische perspectieven. De fictieve Mahmoud el Moskouby is ook van Russische afkomst en hij wordt verliefd op een meisje dat Mannoubia heet, die naam verwijst naar Isabelle's moeder.
Saïda Aïcha Mannoubia (1180-1257) is één van de zeldzame vrouwen die als heilige wordt vereerd in de Islam. Ze wordt vooral in Tunesië vereerd. Ze krijgt de hoogste achtenswaardigheid in de soefi hiërarchie, wat voor een vrouw een zeldzaamheid is. Ze verzet zich tegen de autoriteit van de vader, tegen de huwelijksregeling en kiest voor het celibaat. Ze is een geleerde. Mannoubia is de Islamitische naam die Isabelle's moeder Nathalie aanneemt na haar bekering tot de Islam. Heeft Isabelle die naam voor haar moeder gekozen? Ook Nathalie heeft zich verzet tegen de autoriteit van de mannen. Ze verliet haar man, een generaal in dienst van de Russische tsaar, en vluchtte naar Zwitserland met haar kinderen en de leraar van haar kinderen, Trofimovsky. Een vluchtpunt waar Isabelle haar ontstaan aan te danken heeft, denkt ze. Kind van een verboden liefde, getekend door het blanco, teken van de afwezigheid van de naam van een vader. Nathalie de Moerder (Nathalie Eberhardt) heet als moslima Fatma Mannoubia. Beide namen staan op haar graf in Annaba. Nathalie de Moerder sterft in november 1898.
Alles wijst erop dat moeder en dochter zich in Algerije bekeerden tot de Islam. In mei 1897 arriveren Nathalie de Moerder, Alexander Trofimovsky (Vava) en Isabelle, gekleed als een Europese jongeman, in Annaba (Bône) in Algerije. Ze wonen er in de Europese wijk. Maar Vava keert al snel terug naar Zwitserland waarna de twee vrouwen naar het Arabische deel van de stad verhuizen. Ze wonen naast een zaouïa. Aan het einde van de negentiende eeuw bestaan er in Noord Afrika meerdere Islamitische broederschappen binnen een vorm van kloosters (zaouïa). Zij staan in hun geloofsbeleving dicht bij de bevolking. Ze vertrekken vanuit de bestaande tradities rond heiligenvereringen. De specifieke verhouding tot God die ze via de Koran tot uiting brengen verschilt daarom van streek tot streek. Dit varieert van een
authentiek mysticisme tot eenvoudig bijgeloof. Deze broederschappen worden heel scherp in de gaten gehouden door het koloniale bestuur. In een eerste fase verzetten zij zich tegen de kolonialen, maar na verloop van tijd aanvaarden ze hun autoriteit. De bekendste broederschappen zijn Quadriya (gesticht in Bagdad in de 12e eeuw) en Tidjaniya (gesticht in Algerije in de 18e eeuw). Isabelle leert verschillende Islamitische marabouts kennen. Een marabout is een religieuze soefi leraar, een geestelijk leider. In Berbertaal betekent het 'heilige'. Isabelle komt in contact met een Islam zonder zware dogmatiek. Het Soefisme floreert alleen bij politieke regimes met een open en tolerant karakter. De meeste nationalistische bewegingen hebben in de Moslim wereld deze tolerante vorm van de Islam onderdrukt. Waardoor religieuze stromingen die zich beroepen op een letterlijke interpretatie van teksten uit de Koran versterkt werden. Ideologische lezingen van de Islam kregen de overhand. Het Soefisme vertrekt vanuit de ervaring; kennis van God is alleen mogelijk via zelfkennis. Wie zichzelf kent, ervaart God. De weg naar kennis loopt via het zelf. De spirituele zoektocht naar zichzelf en God is wat Isabelle aantrekt in het Soefisme.
Een maand na haar aankomst in Algerije schrijft ze de Tunesiër Ali Abdul Wahab, met hem is ze in contact gekomen via Yaqub Sana. Ze ondertekent haar brieven met Meriem. Meriem is niet alleen een verwijzing naar het Hebreeuwse Miriam, maar ook naar Maria. Het is de Arabische vorm van Maria en/of Miriam. Marie is één van de meisjesnamen die Isabelle bij haar geboorte kreeg. Haar volledige naam is: Isabelle Wilhelmine Marie Eberhardt. Ook met Yaqub Sana (Abou Nadarra) blijft ze corresponderen. Hij ondertekent zijn brieven met 'Uw liefhebbende vader'.
De brieven die Isabelle aan Ali Abdul schrijft getuigen van een identiteitscrisis die een uitweg zoekt in mystiek religieuze gevoelens. Een zoeken naar een soort helende totaliteit, een zin geven aan het leven. Een existentieel zoeken dat samenhangt met een diepgaande familiecrisis. Het is betreurenswaardig dat in de Nederlandstalige bloemlezing van haar brieven geen van deze brieven werd opgenomen. De samensteller, de Egyptisch-Franse antropologe Eglal Errera, focust zich in haar keuze op Isabelle's geromantiseerde liefdesleven en haar reizen. Marie-Odile Delacour en Jean-René Huleu hebben, in samenwerking met de familie van Abdul Wahab, de briefwisseling gepubliceerd die Isabelle voerde met de mannen die ze in haar hart sloot.
Yaqub Sana introduceert Ali Abdul Wahab aan Isabelle als een penvriend. Ali is op dat moment op bezoek bij Yaqub in Parijs. Hij ziet de foto van Isabelle als zeeman in zijn werkkamer en vraagt wie die jonge zeeman is. Yaqub schrijft Isabelle over Ali en zij neemt al snel contact met hem op. Ali is de oudste zoon van Salah Abdul Wahab, eerste secretaris van Buitenlandse Zaken in Tunesië. Ze behoren tot een vooraanstaande Tunesische familie. Ali kreeg een moderne elite opleiding.
Isabelle schrijft tussen eind juni en half december meer dan twaalf brieven aan Ali. De gordiaanse knoop waar omheen deze brieven cirkelen is haar identiteit; wie is ze en wat wil ze met haar leven? Dit blijkt al uit het feit dat geen enkele brief ondertekend is met haar eigen naam; ze gebruikt pseudoniemen. Acht brieven zijn ondertekend met het pseudoniem Podolinsky, waarmee ze ook haar eerst uitgegeven werk ondertekent, en vijf met Meriem, de Arabische vorm van haar tweede naam Marie. Wie is ze? Man of vrouw? Een Russische zeeman, Podolinsky, zoals Ali haar voor het eerst op een foto bij Yaqub heeft gezien? Of een Russin, Marie, die Moslima, Meriem, wil worden? De eerste, Podolinsky, is het masker waarachter het tweede, de wensdroom naar de Islam, zich verbergt...
Om niet al te sterk te focussen op een psychologiserend verhaal rond de persoon van Isabelle, is het belangrijk een goed beeld te krijgen van de levensomstandigheden waarin ze opgroeide. In 1872 vlucht haar moeder Nathalie de Moerder weg uit het tsaristische Rusland, weg van haar man, een generaal in dienst van de tsaar. Ze neemt hun vijf kinderen en de leraar van haar kinderen, de anarchist Alexander Trofimovsky, mee. Hij is een orthodox priester geweest die zich later bekeerd zou hebben tot de Islam... Het jongste kind, Augustin, is geboren op 10 december 1871. Hij is nog geen jaar oud wanneer zijn moeder hem meeneemt op haar vlucht naar Zwitserland. Officieel is Augustin een zoon van de generaal, maar er is een vermoeden dat Augustin een kind is van Trofimovsky. Het spreekt voor zich dat de Russische generaal, die zijn vrouw en kinderen ziet wegvluchten, dit niet zomaar naast zich neerlegt. De Russische autoriteiten maken het leven van dit gevluchte gezin niet makkelijk. Vooral niet als Trofimovsky steeds meer bekendheid krijgt als anarchist en dus staatsvijand van Rusland. Vijf jaar later, op 17 februari 1877, wordt Isabelle geboren. Op haar geboortecertificaat ontbreekt de naam van de vader. Maar alle pijlen wijzen in de richting van Trofimovsky...
Dit wordt echter nooit bevestigd of uitgesproken. Isabelle en haar vijf jaar oudere broer Augustin groeien op in een milieu van politieke vluchtelingen. Mirella Tenderini schrijft in haar biografie Isabelle, amica del deserto dat er aan het einde van 19e eeuw in Genève een grote groep politieke immigranten uit Rusland, Turkije, Armenië en de Balkan verblijft. Zij zoeken elkaar op en worden nauwlettend in de gaten gehouden door de Zwitserse politie en door buitenlandse geheime diensten. Tussen 1895 en 1899 verandert Isabelle's leven totaal.
In 1895, het jaar waarin Isabelle's eerste teksten gepubliceerd worden in het Parijse tijdschrift Nouvelle Revue Moderne. In dit jaar staat de vraag naar een beroepskeuze zowel bij haar vijf jaar oudere broer Augustin als bij Isabelle centraal. Augustin kiest voor fotografie en Isabelle voor schilderen. Hun moeder is enthousiast, maar Vava (zo noemde Isabelle Trofimovsky) niet. Broer en zus zijn ook van plan om samen boeken te schrijven. Ze denken aan reisverhalen naar het voorbeeld van Pierre Loti en Eugène Fromentin van wie ze allebei Une année dans le Sahel hebben gelezen. In september verschijnt Isabelle's Infernalia onder het pseudoniem Podolinsky. Hebben broer en zus dit verhaal samen geschreven? De biografe Tenderini betwijfelt dit door de coherentie van de stijl. Wel kunnen we ons de vraag stellen naar wat de impact van dit verhaal, een man heeft seks met het dode lichaam van een jonge vrouw in een mortuarium, in het gezin heeft gehad... In oktober vlucht Augustin het huis uit! Hij neemt daarbij een hoeveelheid geld met zich mee... Thuis is er totale paniek over de verdwijning van de zoon. Bij het doorzoeken van zijn spullen naar aanwijzingen die een verklaring zouden kunnen zijn voor zijn vlucht, ontdekt Isabelle vulgaire briefjes aan prostituees en minnaressen voor één nacht. En er duikt een ex-apothekeres op die een som geld eist. Als men haar niet betaald dreigt ze om met bewijslast naar de Zwitserse politie te stappen. Woorden als morfine en cocaïne vallen. Augustin heeft drugs schulden. Daarom heeft hij geld gestolen en is hij gevlucht. Tussen de spullen van haar broer vindt Isabelle ook een kaartje dat verwijst naar een zeeman uit Toulon, Edouard Vivicorsi. Isabelle schrijft deze zeeman in de hoop dat hij haar in contact kan brengen met Augustin. Ze ondertekent deze brieven met Podolonsky, een zeeman. Uit deze tijd dateert de foto die ze van zichzelf laat maken als zeeman, met op de zeemansmuts de tekst 'vengeance' (wraak). Deze foto moet helpen haar overtuigingskracht te vergroten tegenover Edouard Vivicorsi. En het lukt; Vivicorsi brengt haar in contact met haar broer, die zich heeft ingeschreven bij het Vreemdelingenlegioen. Hij krijgt een militaire opleiding in Algerije. Isabelle schrijft hem woedende, verwijtende en verwarrende brieven.
Isabelle's plan lukt. Augustin verlaat het Vreemdelingenlegioen in februari 1896. Hij wil iets doen aan zijn drugsprobleem. In december 1896 vlucht hij opnieuw, om zich voor de tweede keer in te inschrijven bij het Vreemdelingenlegioen (januari 1897). Nu wordt hij gelegerd in Saïda, Algerije. De drugsproblemen van Augustin zijn ontstaan tijdens zijn studententijd op de faculteit scheikunde. Hij leert in Genève (in 1893) ook de portretfotograaf David kennen. Hij heeft een tweede verblijf in Algerije. Augustin gaat daar op bezoek. Zijn terugkeer bij Isabelle en de verhalen die hij haar vertelt over Algerije, krijgen vorm in het tweede verhaal dat van haar gepubliceerd wordt: Vision du Moghreb.
[bron: http--www.toneelgroepdeappel.nl]
--- Over (foto 2): Isabelle Eberhardt ---
Isabella Eberhardt (1877-1904) werd in Genève geboren uit Russische ouders. Ze trok al jong naar Algerije, waar ze rondreisde, meestal als man gekleed, en tot de islam overging. Ze schreef (in het Frans) dagboeken, reisverhalen en een roman. Haar werk, maar vooral haar korte avontuurlijke en excentrieke leven heeft in Frankrijk altijd tot de verbeelding gesproken. Dit boek beschrijft haar leven, veelal aan de hand van haar eigen teksten; het bevat ook verhalen van haar. Een degelijke, geannoteerde uitgave, niet gemakkelijk leesbaar, onder meer door de ingewikkelde structuur. Het onderwerp is echter fascinerend en zal zeker velen aanspreken.
[bron: https--sint-pieters-leeuw.bibliotheek.be]
Isabelle Eberhardt (Meyrin (kanton Genève), 17 februari 1877 - Aïn Sefra, Algerije, 21 oktober 1904) was een Zwitserse/Russische ontdekkingsreizigster en schrijfster die een avontuurlijk leven heeft geleid in Noord-Afrika.
Zij was de onwettige dochter van Nathalie Eberhardt en Alexandre Trophimowsky. Isabelle Eberhardt was een buitengewoon onafhankelijke vrouw, die de conventionele Europese moraal afwees, haar eigen weg koos. Ze huwde met Silimène Ehni en bekeerde zich tot de islam. Ze werd journaliste bij La Dépêche algérienne en l'Akhbar.
Onder de schuilnaam Si Mahmoud zwierf zij te paard door de woestijn en bezocht de islamitische heilige plaatsen. Haar reizen betaalde ze met het schrijven voor Europese kranten.
Eberhardt stierf op 27-jarige leeftijd, toen haar hutje werd meegesleurd door een plotseling optredende modderstroom. Haar dagboeken zijn na de overstroming teruggevonden en ook in het Nederlands vertaald. Haar geschriften, waarin ze het opnam voor de armen, verschenen allemaal na haar tragische dood.
De Australiër Ian Pringle maakte in 1992 een film over haar.
Bibliografie
- Dans l'ombre chaude de l'islam, 1906
- Notes de route, 1908
- Contes et paysages, 1925
Nederlandse uitgaven
- Isabelle Eberhardt, een vrouw door de woestijn ISBN 9041705716
- Isabelle Eberhardt. Brieven, dagboeken en verhalen verzameld en ingeleid door Eglal Errera. ISBN 9067661503
[bron: wikipedia]
Isabelle Eberhardt (1877-1904) reisde zeven jaar door het onherbergzame Noord-Afrika. Gehuld in mannenkleren maakte ze lange trektochten door de woestijn, ze had een verhouding met een Arabische officier en bekeerde zich tot de Islam. Vol liefde beschrijft ze de natuur, de Arabische bevolking en haar avonturen in haar brieven, dagboeken en verhalen.
De antropologe Eglal Errera verzamelde de nagelaten manuscripten van Isabelle Eberhardt en vulde ze aan met feiten en achtergrondinformatie over haar leven.
[bron: https--www.goodreads.com]
Isabelle Eberhardt was a Swiss-Algerian explorer and writer who lived and travelled extensively in North Africa. For the time she was an extremely liberated individual who rejected conventional European morality in favour of her own path and that of Islam. Dressed as a man, calling herself Si Mahmoud Essadi, Eberhardt travelled in Arab society, with a freedom she could not otherwise have experienced. She died in a flash flood in the desert at the age of 27.
[source: https--www.goodreads.com]
When the Swiss-Russian writer and explorer Isabelle Eberhardt died in the Algerian Sahara in 1904, she was physically ravaged. She was only twenty-seven, but heavy smoking, drinking, and drug use had taken their toll, as had poor nourishment. On her travels she'd carried a gun, but not a toothbrush, and so she had lost her teeth. She suffered from malaria and possibly syphilis, and just before her death had spent weeks hospitalized with fever. An assassination attempt a few years earlier, when a religious enemy attacked Eberhardt with a sword, had nearly severed her arm and left her in constant pain. Despite her youth, her body could no longer carry on. Her strange and brilliant mind, though, was immortalized by the travelogues, journalism, and fiction she left behind. "No one ever lived more from day to day than I, or was more dependent upon chance," Eberhardt wrote shortly before her death. "It is the inescapable chain of events that has brought me to this point, rather than I who have caused things to happen."
A devotee of Islam and a Sufi initiate, Eberhardt repeatedly invoked the principle of mektoub: it is written. It was an all-purpose fatalism that allowed her to accept heartache, since it was, in her words, "totally useless and absurd" to rebel against sorrow. She rebelled against nearly everything else. She had innumerable erotic encounters with young Arab men ("God made me sensual") and gave free rein to the wanderlust that took her, in male guise, across the desert plains of North Africa. With preternatural boldness, she cast off all strictures - sartorial, behavioral, and sexual - associated with turn-of-the-century womanhood. Her early French biographer Claude-Maurice Robert marveled that she "drank more than a Légionnaire, smoked more kif than a hashish addict, and made love for the love of making love."
Eberhardt's roots were cosmopolitan, tangled, and romantic. According to some accounts, her mother, Nathalie, was the result of a liaison between a fraulein Eberhardt and a wealthy Russian Jew. Eberhardt's biographer Annette Kobak, however, describes blonde, elegant Nathalie as the legitimate scion of an aristocratic Prussian family in Moscow. Regardless of her lineage, Nathalie made a good marriage to Senator-General Pavel de Moerder, a senior adviser to the tsar. They had three children, two boys and a girl, for whom a tutor was engaged. This rather mundane development turned momentous. The household's new member, a dark-bearded Armenian named Alexander Trophimowsky, was a defrocked priest, an anarchist associate of Mikhail Bakunin and Tolstoy, and irresistibly attractive. Barely a year passed before Nathalie ran away to Switzerland with the tutor, who was also married, and her children. After nine months another son, Augustin, arrived. Isabelle Wilhelmine Marie Eberhardt followed five years later. She was registered as the fille naturelle - illegitimate daughter - of Nathalie.
Though Trophimowsky was almost certainly her father, Eberhardt grew up calling him by his nickname, Vava. As an adult, she enjoyed weaving stories around her ambiguous parentage. Her real father, she once claimed, was a doctor who raped her mother. More often, to bolster her adopted Islamic identity, she referred to her father as a Tatar Muslim. In one fanciful theory, advanced by Arthur Rimbaud's biographer Pierre Arnoult long after Eberhardt's death, she was the daughter of the idolized French poet. The evidence, including the eighteen-year-old Rimbaud's presence in Geneva when Eberhardt was conceived, is wholly circumstantial. Still, it makes for a compelling piece of apocrypha. The two writers, who both fled repressive bourgeois Europe for the stirring atmosphere of Africa, had a passing facial resemblance and shared a restless, visionary, live-fast-die-young spirit. At sixteen, Rimbaud declared, "I'm now making myself as scummy as I can. Why? I want to be a poet - The idea is to reach the unknown by the derangement of all the senses. It involves enormous suffering." Eberhardt's diary from when she was twenty-two contains a similar sentiment:
I assume for the gallery the borrowed mask of the cynic, the debauched layabout. No one yet has managed to see through to my real inner self, which is sensitive and pure and which rises above the degrading baseness I choose to wallow in, out of contempt for convention and also out of a strange desire to suffer.
Being the secret offspring of a canonized literary rebel who slept with both men and women, devoured opium and absinthe, and pioneered new poetic forms would have appealed to Eberhardt. But whether or not she shared his genes, it was Trophimowsky who wielded the most decisive influence.
The runaway family lived in the Villa Neuve, a large house in the countryside outside Geneva, set on four and a half verdant acres surrounded by pine trees. Eberhardt, according to neighbors, would "dance about like a little wild animal along the garden paths. Untamed and unfettered, she did whatever took her fancy from morning to night. Her fantasies knew no bounds." The children were taught at home by Trophimowsky, whose anarchist principles dictated that boys and girls alike should be intellectually nurtured. Along with an eclectic program of reading that included Voltaire, Plato, Turgenev, and Zola, Trophimowsky taught Eberhardt - who grew up bilingual in French and Russian - Latin, Italian, and Arabic.
By age sixteen, Eberhardt could read the Koran in Arabic, and was already feeling the magnetic draw of faraway lands. Spellbound by the novels of Pierre Loti and their evocative fictionalizing of his travels in "the Orient," she set her heart on going to North Africa. It was a place, she wrote, that exerted "an extraordinary attraction" before she'd ever seen it. Her short story Visions of the Maghreb, written when she was eighteen and still living in Switzerland, is an eerily precise projection of Eberhardt's future. Published under a male pseudonym in the French journal Nouvelle Revue Moderne (whose contributors also included Loti and Rimbaud's erstwhile boyfriend Paul Verlaine), this precocious, atmospheric tale depicts a young Russian woman's encounters with Halim, an Islamic mystic in Algeria. Its portrayal of Halim could be of the author herself a couple of years hence:
Of medium height, his slenderness seemed almost feminine beneath the wrapping of his coarse clothing typical of a man of the people - He sat down near the fire across from me, and in its rekindled glimmer, I saw his pale face, almost unreal in its beauty, with dark eyes that seemed illuminated from the interior by a mystical flame beneath the perfect arch of his black eyebrows.
Eberhardt's cross-dressing began under Trophimowsky's scholastic regime, where girls were expected to perform physical as well as intellectual labor. At his behest, Eberhardt had short hair and wore boys' clothing, all the more practical for chopping wood, gardening, and riding horses. In her late teens, when she was old enough to wander Geneva by herself, Trophimowsky allowed her to do so only if she wore trousers. She had a dalliance with a married man she met in the city, a "sensualist" like herself named Charles Schwarz. On one of their dates, Eberhardt was drunk and dressed as a sailor. Schwarz bet her that she wouldn't dare embrace him in public. But, as she delightedly relayed to her brother Augustin, she called his bluff. They kissed at length while sitting in a drugstore. This type of homoerotic role-playing, a recurrent theme of Eberhardt's sexual escapades, is the animating force of her only novel, Vagabond.
Drawing on Eberhardt's experiences as well as those of Augustin, Vagabond is a bildungsroman that charts the determination of a young Russian, Dimitri Orschanow, to maintain the freedom he adores. At the beginning of the novel, Orschanow, a medical student, falls in love with Vera, a clever and thoughtful political activist. But the normal life that stretches before him - marriage, children, a respectable career as a doctor - cannot compete in his imagination with the alternative:
To become a free vagabond sleeping on the side of the road, someone who possesses nothing and envies no one, someone at odds with neither himself nor with his fellow men, but happy in his independence, master of things, not dominated by them, and master above all of the infinite horizons.
Orschanow indulges his "love of the bewitching elsewhere." Abandoning the devoted Vera, he goes to seek a life of proletarian simplicity, liberated from domestication, sameness, and middle-class convention. It is a beautifully written, highly idealized fantasy. Yet the novel's exaltation of nomadism, and its philosophical rejection of ambition and materialism, is as thought provoking today as it was a hundred years ago. "A subject to which intellectuals never give a thought," wrote Eberhardt in a notebook, "is the right to be a vagrant, the freedom to wander. Yet vagrancy is deliverance, and life on the open road is the essence of freedom."
At around the age of twenty-one, Eberhardt began to travel around the Maghreb dressed as a young Arab or Turkish man. She would introduce herself as Si Mahmoud Saadi. If her biological sex was evident to some, Arab codes of courtesy meant that she wasn't challenged. Dressed in loose garments, with a fez atop her shaved head, she went on horseback expeditions through the Sahara, shared sleeping tents with groups of men, hung around the souks, and visited brothels with soldiers out of, she said, an "artist's curiosity." In Vagabond, a fascination with masculinity often shades into homoeroticism. Take, for example, this portrait of a group of dockers:
Their blue linen trousers were stained with tar and oil, their torsos seem molded into their blue and white vests, and loose red wool belts fell from their waists - The warm, rose-gold evening air brushed against their muscular necks and the bronzed contours of their faces.
When the dockers go on strike to protest their wages being undercut by migrant Italians, the politically jaded Orschanow views the action as foolhardy. Nevertheless, he is "mesmerized by the savage beauty of the crowd, by these healthy, robust men in their working clothes - suddenly dignified by their anger, their broad shoulders highlighted by the pools of alternating red and blue from the gas and electric lights." It is startling, and amusing, to read such an unabashed sexualized portrayal of blue-collar masculinity from an educated and privileged nineteenth-century woman.
The novel's renunciation of femininity extends to Orschanow's experience with a pale-faced young prostitute. Her lovemaking, he notes with approval, "was bitter and brutal, without the sentimentality or spinelessness of most girls." Eberhardt might have been talking about herself. Voraciously and unemotionally promiscuous, at times she lamented her "vulgar" side. Yet a friend from Tunis recalled that "when she saw a man she wanted, she took him. She'd beckon him over and off they'd go. She never made any pretenses; she never hid her adventures. Why should she?"
Eberhardt didn't seem to worry about pregnancy. Judging by her readiness to live among men in the most basic conditions, she probably didn't menstruate. If she was anorexic, as has been suggested, it ties in to both her religiosity and her masochism. "Suffering is a very positive thing," she wrote, "for it sublimates the emotions and produces great courage or devotion; it creates the capacity for strong feelings and all-encompassing ideas." Like her fellow Aquarian mystic Simone Weil, who starved herself and insisted on doing tough physical labor, Eberhardt would always choose a hard floor over a soft bed. Physical abnegation was a means of liberation, of transcendence over inconvenient biology.
Kobak remarks that Eberhardt "was living out in reality to an extraordinary degree the omniscience and androgyny that many writers take on in their imaginations." By the same token, she viewed writing as a form of exhilarating exploration. "For me it seems that by advancing in unknown territories," she wrote, "I enter my life." Despite the compulsions - sex, drugs, alcohol, travel - that occupied her waking hours, her writing was of central importance, and she was eager for publication. She was driven to maintain, she wrote, "two lives, one that is full of adventure and belongs to the Desert, and one, calm and restful, devoted to thought and far from all that might interfere with it."
At one point she considered settling down to a quiet life with Slimène Ehnni, an Algerian soldier with whom she fell passionately in love. Like Eberhardt, he belonged to the Qadriya, the oldest Sufi order. "God had pity on me and heard my prayers," she wrote. "He gave me the ideal companion, so ardently desired, and without whom my life would always have been incoherent and mournful." The young lovers talked about acquiring a small business to run together, a grocer's or a café. When they got married in October 1901, Eberhardt wore a wig, for once bowing to convention.
But it was ludicrous to suppose that marriage would slow Eberhardt's constant movement. While Ehnni's post as a quartermaster kept him in the north of the country, she worked as a war correspondent, reporting on Moroccan-Algerian border clashes between Berber tribes and French forces making territorial incursions. She also carried out intelligence missions for Hubert Lyautey, the French brigadier general in charge of Oran, and acted as intermediary between him and the local people. With her perfect idiomatic Arabic and intimate knowledge of the region, Eberhardt proved a valuable asset. Though she tended toward an anti-colonial viewpoint, she apparently trusted that a French protectorate conducted according to Lyautey's methods would benefit the Arab Muslims in Morocco. "What a delight," wrote the general, "to find someone who is truly himself, who rejects prejudice, servitude, banality, and who moves through life as freely as a bird through the air."
In the fall of 1904, when Eberhardt met up with her husband in the Saharan village of Aïn Sefra, they hadn't seen each other for eight months. They spent a happy night together. The next day, at around eleven o'clock, a deafening torrent of water rushed down from the mountains and obliterated a quarter of the town. Ehnni was swept away by the current and survived, but Eberhardt's body was found pinned under a beam of the house. She had just completed a manuscript of stories, and the muddy pages surrounded her. Under Lyautey's orders, soldiers sifted through the devastation to find all her papers, which were painstakingly reassembled and preserved.
Eberhardt never made much money from her writing, and what little she had she spent quickly on tobacco, books, or gifts for friends. Vagabond began as a serialized story in Al-Akhbar in 1903, but she often filed installments late, or not at all. Her work appeared in book form only posthumously, with several collections of stories and reflections published to critical acclaim in the years after her death. Vagabond made its debut as a novel in France in 1922; in 1988 the Hogarth Press put out Kobak's English translation, now out of print. Two anthologies, The Oblivion Seekers and In the Shadow of Islam, are currently available from the independent British press Peter Owen. These writings, which foreground the lives and experiences of North Africans, have established Eberhardt as a vital early critic of imperial rule. Her perspective, according to the Tunisian scholar Hédi A. Jaouad, "may have inaugurated the theme of decolonization in the Maghreb, for it expounded a theory of sociology and oppression whose theorists and critics would later include, among Francophone writers, the Martinican Frantz Fanon and the Tunisian Albert Memmi."
Eberhardt's legacy as a feminist, meanwhile, rests less on her writing than on her incredible and uncompromising life, which has acquired legendary status. The "Androgyne du Desert," as she was called in France, has inspired plays, films, a 2012 opera by the composer Missy Mazzoli, and even, in 2015, a New York musical, The Nomad. Such splashy glorification would have bewildered Eberhardt, who wrote, the year of her death, "Soon, the solitary, woeful figure that I am will vanish from this earth, where I have always been a spectator, an outsider among men."
Emma Garman [source: https--www.theparisreview.org/blog/2019/02/11/feminize-your-canon-isabelle-eberhardt]
...
...
...
...
...
...
...
...
...
...
...
...
Nieuwpoort+Deel Westende
92x bekeken
0x bewaard
Sinds 12 jul. '24
Zoekertjesnummer: m2135898116
Populaire zoektermen
vrouw zoekt man | vrouw in Romansoudere vrouw zoekt man in Romansgescheiden vrouw zoekt man in Streekboeken en Streekromansalleenstaande vrouw in Romansvrouw zoekt hulp in Romansde ontembare vrouw in Romansvrouw zoekt man of vrouw in Romanshet rijk der vrouw in Romanshet rijk der vrouw in Romansde ontembare vrouw in Romanskookboeken rijk der vrouw in Kookboekenisabelle dams in Literatuurik zoek een vrouw in Romansde tao van de vrouw in Esoterie en Spiritualiteitmanden kallax in Woonaccessoires | Schalen en Mandenseptische put in Buizen en Afvoer4x4 in Fordbcd in Duikenoven vrijstaand in Ovensgavere in Fietsonderdelenkorthaar in Honden | Teckels en Dashondenlow noise compressor in Autogereedschapmarmer lamp in Lampen | Tafellampenappartement a louer tournai in Appartementen en Studio's te huur